Houdbaarheid van een sprinter

Elk jaar in de tour gedurende de eerste week zien we sprints. Het parcours is daar vaak op samengesteld. Zo gaat het al jaren en zo zal het ook nog jaren blijven gaan.

De tour bestaat immers uit een aantal facetten:

  • Sprints
  • Bergen
  • Tijdritten

De mix van bovenstaande drie facetten is de tour. Omdat de combinatie van bergen en tijdritten bepaald wie de gele trui in Parijs draagt en sommige sprinters de bergen niet goed overleven moeten de echte sprintetappes in de eerste week plaatsvinden.

Hectiek

De tour is echter anders dan andere koersen. Een andere koers die op een sprint uitdraait is overzichtelijk. De klimmers, en klassementsrenners bemoeien zich niet met de sprint en komen rustig op een paar seconden (of minuten) achterstand over de finish. Al was het maar om lijf en leden te beschermen. Maar niet in de Tour. Daar kunnen die paar seconden het verschil maken tussen winst en verlies in Parijs. Daarom wil in de Tour iedereen vooraan rijden. Ook in de sprintetappes, waar klassementsrenners niks te zoeken hebben. Thijs Zonneveld schreef heel passend: "Tweehonderd renners willen bij de eerste twintig rijden, maar bij de eerste twintig passen er maar twintig."

Sprinter

In dat gewurm moet een sprinter zich staande houden. Met respect voor zijn medestrijders (sprinters), maar ook voor al die renners die vooraan willen zitten, zonder dat ze echt voor de etappe zullen gaan. En ondertussen wil hij ook nog winnen. Zijn ploeg verwacht dat ook, want daarvoor is hij immers naar de Tour gekomen. Dus moet je lef hebben. Met het betere gooi en smijtwerk je overal tussen wringen om op het juiste moment je sprint te beginnen. Om na 200km net die laatste halve meter op kop te rijden. Niet eerder, maar zeker niet later. Om dat te kunnen moet je heel sterk zijn. Er zijn genoeg verhalen bekend van sprinters die trapassen met gemak kapot trappen met versnellingen die tien jaar geleden nog als onmenselijk werden beschreven. Jean-Paul van Poppel reed in zijn tijd wel eens een 54x11. Dat was toen belachelijk zwaar. Nu rijden er genoeg sprinters zwaarder.

Houdbaarheid

Als je kijkt naar de sprinters die de wielerwereld de afgelopen tien tot vijftien jaar gehad heeft, dan zien we dat veel sprinters zich in de loop van hun carrière ontwikkelen van sprinter pur sang tot meer allrounder. Dat heeft te maken met het feit dat ze ouder worden. Niet alleen de fysiek wordt anders, maar met name het mentale aspect. Een jonge sprinter is vaak roekeloos. Thijs Zonneveld omschreef het weer heel erg mooi na een valpartij van Tom Boonen in de Tour van 2011: "Maar je kunt niet eeuwig roekeloos zijn. Een paar keer hard tegen de grond en het gevoel van onaantastbaarheid is weg. Valpartijen blijven je bij. In je achterhoofd, in je onderbuik. Eerst merk je niet dat je net iets eerder remt dan de kamikazepiloten om je heen. Daarna komt het besef: je kunt het niet meer, want je durft het niet meer. Je ziet hoe Mark Cavendish zich ondersteboven achterstevoren door het peloton wurmt met honderd in het uur en je denkt: hij is gek." Juist het feit dat die valpartijen in je hoofd blijven zitten zorgt ervoor dat je opeens voorzichtiger gaat worden. En dus die pure sprintetappes niet meer wint. Erik Dekker die in het laatste jaar van zijn carrière een zeer zware val meemaakte vertelde dat zijn laatste comeback niet meer ging. Omdat hij niet meer wilde vallen. Erik Dekker, die in zijn carrière toch veelvuldig gevallen was, veel comebacks meemaakte, maar opeens was het op. Bij topsprinters werkt dat net zo. Sprints die vaak boven de zeventig km/h worden verreden. Dan zijn valpartijen altijd erg pijnlijk. Dit zorgt ervoor dat je maar een paar jaar in je carrière een echte topsprinter kunt zijn. Kijk bijvoorbeeld naar Erik Zabel. Gestart als sprinter, maar later uitgegroeid naar een renner die de langere etappes met wat bergjes erin overleefde. Als het daar dan op een sprint uitdraaide, waren de echte sprinters niet meer aanwezig. En op die manier kon hij zijn (nog steeds erg goede) sprint gebruiken om dergelijke etappes te winnen.

Andere sporten

Het fenomeen dat je sommige elementen van sport niet eeuwig kunt blijven doen, ongeacht conditie zien we wel meer. Kijk naar het skischansspringen. Ook dat is een sport waar vaak jonge sporters van rond de twintig jaar heel erg goed zijn. Naarmate ze ouder worden, vaak een relatie en kinderen hebben, groeit het verantwoordelijkheidsgevoel. Dan lukt het springen opeens wat minder. Omdat ze wel eens ernstig gevallen zijn en blij waren dat ze 'at the end of the day' gelukkig weer naar huis konden gaan.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Zoeken

Sponsored Links